Lijfrente & fiscus


De meeste afgesloten direct ingaande lijfrentes komen voort uit een gouden handdruk of vrijkomend lijfrentekapitaal. Aangezien begin jaren negentig de wetgever de fiscale regels voor lijfrenteverzekeringen veranderd heeft, spelen een aantal belastingaspecten een belangrijke rol bij lijfrente-uitkeringen. Door deze wijzigingen vallen sommige polissen onder het zogeheten 'oud regime' en andere onder het 'nieuwe regime'. Hieronder treft u de belangrijkste fiscale consequenties.
Lijfrenteverzekeringen oud regime.
Het gaat hier om kapitaalverzekeringen met een zogeheten lijfrenteclausule, waarvoor de premie of koopsom tot een bepaald bedrag aftrekbaar was. U herkent deze polissen aan de tekst op de polis, waarbij vermeld wordt dat 'de uitkering bij leven en/of overlijden uitsluitend zal worden aangewend als koopsom voor een lijfrente ter keuze van begunstigde(n)'. De ingangsdatum van een 'oud regime' polis ligt bij regelmatige premiebetaling voor 16 oktober 1990 en voor koopsomverzekeringen ligt de ingangsdatum voor 1 januari 1992.

Voor wijzigingen na de genoemde data geldt er een overgangsregime. Bepaalde wijzigingen waren met behoud van het oude regime niet mogelijk. Wijzigingen op grond van optieclausules waren weer wel mogelijk met behoud van het oude regime. Als de polis een ingangsdatum heeft die ligt na de genoemde data, of als de premie na die data is verhoogd (anders dan op grond van de optieclausules), dan valt de polis niet meer onder het oude regime.

Indien uw verzekering een voortzetting is van een verzekering bij een andere verzekeraar, kan het zijn dat de ingangsdatum van uw polis bij de laatste verzekeraar na de genoemde data van 16 oktober 1990 of 1 januari 1992 ligt. Echter op grond van de voortzettingsclausule die dan op de polis staat, geldt als fiscale ingangsdatum de ingangsdatum van de oorspronkelijke verzekering.

Fiscale regels vanaf 1 januari 2001 voor het opgebouwde kapitaal.
Het kapitaal dat op 31 december 2000 was opgebouwd, komt terecht in box I. Dit houdt in, dat de periodieke uitkeringen uit de polis progressief belast zullen worden in box I. Het blijft hierbij mogelijk om eventuele (gedeeltelijke) afkopen uit te voeren. Wel is het zo dat het gebruik maken van de mogelijkheid om extra stortingen te doen, niet meer kan met de oude fiscale regels.

Fiscale regels vanaf 1 januari 2001 voor de nog te betalen premies
Ten aanzien van de premievrije polis, premievrij gemaakt voor of vanaf 1 januari 2001 blijft het oude lijfrenteregime behouden. U behoudt derhalve de flexibele fiscale mogelijkheden van afkoop, overdracht en schenking van de polis. Deze polis valt in box I en de uitkeringen zijn progressief belast. Voor de nieuwe polis die vanaf 2001 wordt gestart, kunt u in aanmerking komen voor premie-aftrek mits er sprake is van een zogenaamde jaarruimte. Voor zover de premie dan aftrekbaar is, valt ook deze polis in box I.

Fiscale regels voor de 'oud regime' lijfrente-uitkeringen
Als u een 'oud regime' lijfrente-uitkering nodig heeft, kunt u kiezen voor een overbruggingsuitkering, tijdelijke oudedagsuitkering of levenslange oudedagsuitkering. De fiscus stelt wel eisen aan de minimum duur van de periodieke uitkering, de zogenaamde fiscale 1%-eis. In dat geval dient er volgens de statistieken 1% kans te bestaan dat de verzekerde komt te overlijden. Dit betekent dat de minimum duur van de lijfrente-uitkering gekoppeld is aan de leeftijd van de verzekerde. Immers hoe jonger u bent, hoe minder kans er bestaat dat u komt te overlijden, des te langer de verzekering dient te lopen. Kiest u voor een levenslange oudedagsuitkering, dan wordt altijd voldaan aan de fiscale 1%-eis.

Lijfrente-uitkeringen en schenkingsrecht
Bij een 'oud regime' lijfrenteverzekering heeft u ook de mogelijkheid om iemand anders, bijvoorbeeld uw kind, als begunstigde aan te wijzen. Heeft u uw kind nog niet als begunstigde aangewezen bij het afsluiten van de lijfrenteverzekering, dan kunt u dat tijdens de uitkeringsfase alsnog doen door de begunstigde van de polis te wijzigen. De nieuwe begunstigde ontvangt dan de lijfrente-uitkering in de afbouwfase. Afhankelijk van de hoogte van de schenking dient er wel schenkingsrecht te worden betaald.

Lijfrente-uitkering direct als aanvullend inkomen voor uw kind
Waneer u de direct ingaande lijfrente afsluit (uitkeringsfase) kunt u uw kind ook als begunstigde opgeven. Dit betekent echter dat er periodiek sprake is van een schenking, waarover de fiscus normaal gesproken schenkingsrecht zou heffen. De fiscus heft echter ook al inkomensbelasting over de uitkeringen. Als er daadwerkelijk inkomstenbelasting wordt betaald, dan stelt de wet dat het schenkingsrecht vervalt. Dus als uw kind zelf inkomstenbelasting betaalt over de lijfrente-uitkeringen, dan hoeft er geen schenkingsrecht te worden betaald.

Lijfrenteverzekeringen nieuw regime
Het gaat hier om de gerichte lijfrenteverzekeringen waarvoor de premie tot bepaalde bedragen aftrekbaar was. U herkent deze polissen aan de tekst op de polis waarin dan staat, dat 'de verzekerde dekkingen lijfrentekapitalen zijn en dat zij dienen als rekengrootheid'. Op de polis staat tevens vermeld dat deze niet afgekocht kan worden.

Fiscale regels vanaf 1 januari 2001
De verzekering zal automatisch in box I vallen. Geheel of gedeeltelijk afkopen is niet mogelijk. Het is verplicht om een toegestane lijfrentesoort aan te kopen (levenslange lijfrente, tijdelijke oudedagslijfrente, overbruggingslijfrente en/of nabestaandenlijfrente). Voor de oudedagslijfrente geldt, dat deze uiterlijk moet ingaan in het jaar waarin de verzekerde 70 wordt. De uitkeringen uit de lijfrente zullen progressief belast worden in box I. Ter informatie staan hierboven in tabel I en II de tarieven voor de inkomstenbelasting sinds 2004 waartegen uw periodieke uitkeringen uit lijfrente belast zullen worden.

Fiscale regels voor de 'nieuw regime' lijfrente-uitkeringen
Als u een 'nieuw regime' lijfrente-uitkering nodig heeft, kunt u kiezen voor een overbruggingsuitkering, tijdelijke oudedagsuitkering of levenslange oudedagsuitkering. De fiscus stelt wel eisen aan de minimum duur van de periodieke uitkering, de zogenaamde fiscale 1%-eis. In dat geval dient er volgens de statistieken 1% kans te bestaan dat de verzekerde komt te overlijden. Dit betekent dat de minimum duur van de lijfrente-uitkering gekoppeld is aan de leeftijd van de verzekerde. Immers hoe jonger u bent, hoe minder kans er bestaat dat u komt te overlijden, des te langer de verzekering dient te lopen. Kiest u voor een levenslange oudedagsuitkering, dan wordt altijd voldaan aan de fiscale 1%-eis. Hieronder volgt een indicatie van de minimale looptijd in maanden, waarmee wordt voldaan aan de fiscale 1%-eis. Ter informatie staat hierboven in tabel III een indicatie van de minimum looptijd in maanden, waarmee wordt voldaan aan de fiscale 1%-eis.

Fiscale uitkeringsgrenzen voor de 'nieuw regime' lijfrente-uitkeringen 2007
Naast de eisen die de fiscus stelt aan de minimum duur van de periodieke uitkeringen, stelt de fiscus ook eisen aan de maximum hoogte van een overbruggings- en tijdelijke oudedagsuitkering. Zo mag een overbruggingsuitkering maximaal EUR 63.288,- per jaar bedragen. Dat is maximaal EUR 5.274,- bruto per maand. Een tijdelijke oudedagsuitkering mag maximaal EUR 18.990,- per jaar bedragen, ofwel EUR 1.582,50 bruto per maand (waarbij de uitkeringsperiode minstens vijf jaar dient te zijn).

Afkopen nieuw regime lijfrenteverzekering
Het afkopen van een lijfrenteverzekering volgens het nieuwe regime is niet toegestaan. Indien u toch tot afkoop overgaat zal u, door de progressieve heffing, boeterente en negatieve persoonlijke verplichtingen (in het verleden afgetrokken premies worden bij uw inkomen opgeteld), minder dan 25% van de waarde overhouden.
offerte aanvraag
disclaimer | privacy statement